Home | Protocollen | Pestprotocol

Projecten en Klassenwerk

Pestprotocol

Inhoudsopgave

1.Voorwoord 

2.Wat is pesten? 

3.Op welke wijze is pestgedrag te herkennen? 

4.Op welke wijze gaan wij als school met pestgedrag om?

5.Wat doen wij op school om pesten te voorkomen? 

6.Cyberpesten 

7.Welke bronnen zijn er geraadpleegd bij het opstellen van dit pestprotocol? 

1. Voorwoord

Wij streven er uiteraard naar om voor alle kinderen een veilige school te zijn. Pesten zal echter op alle scholen voorkomen, dus helaas ook bij ons. Vandaar dat wij in dit protocol structurele afspraken hebben gemaakt om zoveel mogelijk te voorkomen dat plagen overgaat in pesten. Het leren inzien van wat pestgedrag doet met een ander, het weerbaarder willen maken van de gepeste en het betrekken van “de zwijgende meerderheid” en de meelopers bij het geheel om het pesten te stoppen, liggen ten grondslag aan dit pestprotocol.

 

Na dit voorwoord leggen we in hoofdstuk 2 uit wat we onder pesten verstaan. We geven tevens het verschil aan tussen plagen en pesten. Daarna gaan we in hoofdstuk 3 in op het herkennen van pestgedrag door het beschrijven van de eigenschappen van de direct betrokkenen bij een pestsituatie: de pester, de gepeste en de meelopers. Vervolgens bespreken we in hoofdstuk 4 de wijze waarop wij als school met pesten omgaan. Het daar gepresenteerde stappenplan biedt de nodige handvatten. Verder geven we tips voor de leerkrachten en de ouders/verzorgers van gepeste leerlingen en van pesters. Hoofdstuk 5 bevat een aantal richtlijnen ter voorkoming van pestgedrag op onze school. Hoe we omgaan met “cyberpesten”, het pesten via internet of e-mail, staat omschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 bieden we tenslotte een overzicht van geraadpleegde bronnen bij het samenstellen van dit pestprotocol.

Namens team en MR van De Rietkraag,

 

Taco Houkema

directeur


2. Wat is pesten?

Voordat we in dit protocol nader ingaan op de problematiek rondom het pesten, geven we eerst een korte omschrijving van pesten maken we een vergelijking met plagen. Het woordenboek geeft onder meer de volgende beschrijving achter het begrip pesten: “treiteren” en “het leven zuur maken”. Om het begrip pesten verder te concretiseren, maken we een vergelijking met het begrip plagen (zie onderstaand schema).

Plagen

-                     Is onschuldig en gebeurt onbezonnen en spontaan;

-                     Gaat soms gepaard met humor;

-                     Is van korte duur of gebeurt slechts zeer tijdelijk;

-                     Speelt zich meestal af tussen “gelijken”;

-                     Is meestal te verdragen of zelfs leuk, maar kan ook wel kwetsend of agressief overkomen. De grens moet dan duidelijk benoemd worden;

-                     Meestal één tegen één;

-                     Degenen die elkaar plagen, wisselen voornamelijk af tussen personen;

 

Pesten

-                     Gebeurt berekenend (leerlingen weten vooraf goed, wie, hoe en wanneer ze gaan pesten). Ze willen bewust iemand kwetsen of kleineren;

-                     Is duurzaam: het gebeurt herhaaldelijk, systematisch en langdurig (stopt niet vanzelf en na korte tijd);

-                     Ongelijke strijd. De onmachtsgevoelens van de gepeste staan tegenover de machtsgevoelens van de pester;

-                     De pester heeft geen positieve bedoelingen en wil pijn doen, vernielen of kwetsen;

-                     Meestal een groep (pester en meelopers) tegenover één geïsoleerd slachtoffer;

-                     Er bestaat een neiging tot een vaste structuur. De pesters zijn meestal dezelfden, net zoals de slachtoffers (mogelijk wisselend door omstandigheden);

 

 

Samenvattend kunnen we stellen dat plagen tamelijk onschuldig is, terwijl pesten schade berokkent. Bij plagen beperken de gevolgen zich over het algemeen tot korte draaglijke pijntjes die bij het spel horen. Bij eventuele ruzie wordt de relatie meestal vlot weer hersteld. Leerlingen blijven opgenomen in de groep en de groep lijdt niet echt onder de plagerijen.

Bij pesten kunnen de gevolgen ernstiger zijn, zowel fysiek als psychisch. De gepeste kan in een isolement terecht komen en behoort niet meer tot de groep. Het herstel van de relaties verloopt moeizaam en kost veel tijd. De groep lijdt onder een dreigend en onveilig klimaat: de leerlingen zijn angstig en er heerst wantrouwen. Openheid en spontaniteit ontbreken en er zijn weinig of geen echte vrienden binnen de groep.

Een concreet voorbeeld van pesten is het uitschelden van een leerling vanwege zijn kleding, uiterlijk of gedrag. Ook is het negeren van een leerling door te doen alsof die niet bestaat een voorbeeld dat helaas nog wel eens voorkomt. Zo zijn er nog veel meer pestsituaties te bedenken waarbij een leerling het slachtoffer is van de handelingen van een groep andere leerlingen (pester en meelopers).

Er kunnen veel redenen worden aangevoerd waarom leerlingen elkaar pesten. De pester kan

bijvoorbeeld zelf ooit slachtoffer van pesterijen zijn geweest of het kan een manier zijn om aandacht te trekken die de pester bijvoorbeeld thuis niet krijgt. Pesten kan ook een manier zijn om aanzien te verkrijgen bij andere leerlingen.


3. Op welke wijze is pestgedrag te herkennen?

 

Hieronder geven we een opsomming van eigenschappen en kenmerken die we bij de pester, de gepeste en de meelopers vaak zien. Voor zover mogelijk is tussen haakjes de desbetreffende eigenschap naar waarneembaar gedrag vertaald.

 

Pesters zijn over het algemeen vaak erg onzeker en verbergen dit achter een grote mond en stoer (pest)gedrag. Verder is een pester te herkennen aan een of meer van de onderstaande

eigenschappen/kenmerken:

-                     Staat tamelijk positief tegenover geweld, agressie en het gebruik van stoere taal (een leerling altijd met een bijnaam aanspreken, opmerkingen maken over de kleding van een leerling, een leerling uitschelden en een leerling buiten schooltijd opwachten en fysiek toetakelen of achtervolgen);

-                     Imiteert graag agressief gedrag (kiest agressieve idolen uit sport, muziek of film);

-                     Is vlugger agressief en gebruikt vaak eerder geweld dan andere leerlingen;

-                     Lijkt assertief (zegt spontaan wat hij denkt of voelt en komt uit voor zijn/ haar  mening);

-                     Is vrij impulsief;

-                     Heeft de neiging anderen te overschreeuwen of te domineren om controle te houden, maar is misschien minder zeker dan het lijkt (verdraagt geen kritiek en wordt boos wanneer zijn positieve zelfbeeld ter discussie staat);

-                     Wil het middelpunt zijn en is vlug jaloers (wil altijd de baas zijn);

-                     Heeft moeite met grenzen en eigen of door anderen opgelegde regels (kan moeilijk samenwerken);

-                     Heeft het moeilijk met stress of spanning die van buiten af wordt opgelegd (druk als gevolg van bijv. toetsen of agressie van ouders);

-                     Lijdt vaak aan een negatieve faalangst;

-                     Hoe onveiliger hij zich voelt, hoe groter de behoefte aan een zondebok;

-                     Is niet noodzakelijk dommer of slimmer dan de rest;

-                     Geniet respect uit angst en niet uit waardering (is meestal fysiek sterker of omringd door sterke vrienden die zijn gezag respecteren);

-                     Heeft een zwak inlevingsvermogen, is vooral met zichzelf bezig en houdt geen rekening met anderen (is egocentrisch en heeft geen schuldgevoelens);

-                     Lijkt regelmatig een dubbelleven te leiden (is volgzaam en braaf thuis en in de klas, maar daarbuiten zoals op het schoolplein en na schooltijd is het gedrag anders).

 

Gepeste leerlingen zijn over het algemeen kwetsbaarder dan de overige leerlingen.

Verder zijn ze te herkennen aan een of meer van de onderstaande eigenschappen/kenmerken:

-                     Houdt niet van geweld en agressief taalgebruik;

-                     Weet niet hoe hij met agressie van anderen moet omgaan (schoolresultaten leiden eronder);

-                     Is meestal fysiek zwakker (heeft bijv. blauwe plekken/schrammen en kleerscheuren voortkomend uit contact met de gepeste);

-                     Is eerder in zichzelf gekeerd (is vaak figuurlijk afwezig);

-                     Is geneigd zich onderdanig of gedienstig te gedragen (maakt zich het liefst onzichtbaar);

-                     Is onzeker in zijn sociale contacten (zoekt het veilige gezelschap van de leerkracht);

-                     Durft niet op te komen voor zichzelf (“verliest” spullen zoals bijvoorbeeld sportkleren);

-                     Heeft vaak een lage dunk van zichzelf en gelooft uiteindelijk dat hij het verdient om gepest te worden (behaalt slechte schoolresultaten);

-                     Voelt zich vaker eenzaam dan andere leerlingen (is verdrietig of neerslachtig, wordt niet uitgenodigd na schooltijd, staat vaak alleen op het schoolplein);

-                     Voelt niet goed aan welke regels of normen er binnen een groep gelden;

-                     Reageert niet op gepaste manier op druk (huilen, slaafs, klikken, vrij kopen met snoep of geld, nabootsen pesters).

 

Meelopers zijn leerlingen die de pester steunen in zijn gedrag. Zij zijn vaak zelf bang om gepest te worden en pesten uit veiligheid mee. Soms vinden ze het ook zelf wel leuk om te pesten en doen ze om die reden mee. Een andere mogelijke reden voor het meelopen kan zijn dat zij niet weten hoe ze het pesten kunnen voorkomen en dus maar gewoon mee doen.

In de praktijk bestaan er overigens oneindig veel signalen die kunnen duiden op pestgedrag. Daarom is het lastig een volledige lijst met signalen te presenteren. De hiervoor geschetste

eigenschappen/kenmerken van de pester en gepeste gecombineerd met het daarbij behorende

waarneembaar gedrag bieden naar onze mening voldoende aanknopingspunten voor het signaleren van pestgedrag.

Leerkrachten en ouders moeten voortdurend alert zijn op de wijze waarop leerlingen met elkaar omgaan. Dat geldt zowel in onderwijs- als in spelsituaties. Door het vroegtijdig signaleren van pestgedrag en het daarop gepast reageren kan in een later stadium erger worden voorkomen. Wij moeten daarbij wel beseffen dat leerlingen die gepest worden daarover vaak geen mededelingen doen. Zij zwijgen omdat zij zich schamen voor het feit dat ze worden gepest. Zwijgen kan ook een gevolg zijn van de druk die door de pester wordt uitgeoefend. De pester geeft bijvoorbeeld aan dat de pesterijen zullen toenemen als de gepeste er met iemand anders over praat.

Ouders/verzorgers spelen naast de leerkrachten een belangrijke rol als het gaat om het signaleren van pestgedrag. De mededeling van een ouder aan een andere ouder dat zijn kind wordt gepest, moet zeer serieus worden genomen. En ouders die ontdekken dat hun kind in een pestsituatie tot de zogenaamde zwijgende meerderheid behoort, moeten daar ook alert op zijn. Juist deze meerderheid is bepalend of een pestsituatie ophoudt dan wel langdurig doorgaat.

 

 


4. Op welke wijze gaan wij als school met pestgedrag om?

Wanneer wij over school spreken bedoelen we daarmee alle betrokkenen: leerlingen, leerkrachten en ouder/verzorgers. Wanneer bepaalde signalen op pestgedrag duiden, is het zaak zo vroegtijdig mogelijk te handelen. Voor het adequaat aanpakken van een pestprobleem kan het onderstaande stappenplan als hulpmiddel dienen. De stappen kunnen - afhankelijk van de ernst van het pestgedrag en het effect van de genomen maatregelen – zo nodig worden herhaald. Bij alle onderstaande punten geldt, dat het pestgedrag zich onder schooltijd afspeelt.

1. Leerlingen lossen het onderling op.

De leerkracht spreekt de betrokken leerlingen aan (in ieder geval de pester en de gepeste) om de pestsituatie onderling te bepreken en een oplossing te vinden. De leerlingen leggen hun oplossing voor aan de leerkracht en voeren deze ook daadwerkelijk uit. De leerkracht “bewaakt” de situatie, i.v.m. veiligheid, op afstand.

2. De leerkracht komt tussen beiden en bespreekt de situatie ook plenair.

Wanneer blijkt dat de gekozen oplossing niet het verwachte effect heeft, legt de gepeste de situatie aan de leerkracht voor. Deze organiseert een gesprek tussen de pester en de gepeste waarin beiden hun verhaal kunnen doen. Op basis daarvan stimuleert de leerkracht dat de leerlingen constructieve afspraken met elkaar maken en deze ook nakomen.

In deze fase worden ook de meelopers op hun gedrag aangesproken met de vraag waarom zij niets aan de situatie hebben gedaan.

Een ander middel dat de leerkracht in dit stadium toepast is het plenair bespreken van de pestsituatie in de klas. Door middel van stevige interactie – waarbij de leerkracht zelf ook stelling inneemt – wordt de situatie met alle leerlingen doorgenomen.

3a. Inzetten van bestraffende maatregelen (sancties).

Wanneer na verloop van tijd blijkt dat de onderlinge afspraken niet worden nagekomen, kan de leerkracht een of meer van de volgende middelen inzetten. De pester:

-           straffen door hem een of meerdere pauzes binnen te laten blijven;

-           laten nablijven;

-           een schriftelijke opdracht geven waarbij hij bijvoorbeeld de pestsituatie moet  beschrijven met zijn rol daarbinnen;

-           een boek over pesten laten lezen en hem daarvan tevens een samenvatting laten schrijven;

-           in een gesprek bewust laten worden van de gevolgen van zijn gedrag voor de gepeste

-           in een gesprek gedragsveranderingen afspreken. Na verloop van een van te voren bepaalde periode (bijvoorbeeld een of twee schoolweken) gaat de leerkracht na of er verbetering in het gedrag van de pester zit.

3b. Betrekken van de ouders bij het probleem.

Afhankelijk van de situatie en de ernst van het pestgedrag kan de leerkracht - na overleg met IB-er en/of directeur - besluiten de ouders van de pester en de gepeste uit te nodigen voor een gesprek. De ouders van de pester worden in dat gesprek op hun verantwoording gewezen voor het gedrag van hun kind. Tevens worden zij met klem verzocht mee te werken aan het oplossen van het pestprobleem. Alle betrokken ouders ontvangen achtergrondinformatie over pesten (bijvoorbeeld dit pestprotocol).

4. Bespreken van de situatie tussen leerkracht en IB-er of directeur en met collega’s.

Ongeacht het resultaat op de gekozen bestraffende middelen (stap 3a) en het gesprek met de ouders (stap 3b) bespreekt de leerkracht de pestsituatie in eerste instantie met de IB-er en/of de directeur. Op deze wijze kan reflectie op de door de leerkracht gekozen aanpak plaatsvinden. Vragen die hierbij de revue kunnen passeren: Is de gekozen aanpak passend voor de situatie? Zijn er concrete tips? Daarna kan de situatie zo nodig in een plenaire teamvergadering aan de orde komen.

5. Inschakelen professionele hulp van derden.

Blijkt dat het pestgedrag ondanks de genomen maatregelen blijft voortduren, dan kan met

toestemming van de ouders deskundige hulp worden ingeschakeld. Te denken valt aan de

schoolbegeleidingsdienst, de schoolarts van de GGD of schoolmaatschappelijk werk.

6. Overplaatsen van de pester.

Een tijdelijke oplossing kan worden gezocht in de sfeer van het overplaatsen van de pester naar een andere klas binnen de school. Tot deze maatregel – die als officiële waarschuwing geldt - wordt in ieder geval direct overgegaan wanneer de pester alsmaar pestgedrag blijft vertonen.

7. Schorsen of verwijderen van de pester.

In het uiterste geval kan de pester worden geschorst dan wel van school worden verwijderd. Deze maatregel moet bij de inspectie worden aangevraagd. Zie hiervoor het protocol schorsen en verwijderen van SCOS. Het spreekt voor zich dat schorsing of verwijdering alleen in het uiterste geval zal worden toegepast. Onze school is er wel zoveel mogelijk op gericht alles in het werk te stellen de pester te begeleiden en te sturen opdat hij pas na het afronden van groep 8 de school verlaat.

 

Tot slot van dit hoofdstuk volgt nog een aantal tips voor leerkrachten en ouders/verzorgers van gepeste leerlingen en van pesters.

Leerkrachten die een gepeste leerling begeleiden en/of die pesters begeleiden:

-                     Medeleven tonen en luisteren/vragen;

-                     Nagaan hoe de leerling zelf reageert;

-                     Leerling tips geven hoe te reageren en oefenen met het reageren op anderen;

-                     Redenen laten zien waarom een leerling pest;

-                     Nagaan welke oplossing de leerling zelf ziet;

-                     Sterke kanten van de leerling benadrukken;

-                     Belonen van de leerling als de leerling zich anders leert opstellen;

-                     De leerling niet overbeschermen. Hij/zij moet ook zelf weerbaar leren worden;

-                     Zoeken naar redenen van het pesten;

-                     Effect van het pesten aan de pester laten zien;

-                     Excuses laten aanbieden aan gepeste;

-                     Leuke kanten van de gepeste laten zien;

-                     Omgangsregels van de school benadrukken;

-                     Leerling leren zich te beheersen (eerst nadenken, dan doen).

Ouders/verzorgers van een gepeste leerling en/of van een pester:

-                     Aanmoedigen om erover te praten (houd de communicatie open);

-                     Directe vragen stellen (wie plaagt er, hoe, waar en wanneer);

-                     Vragen of en hoe het kind heeft geprobeerd het pesten te stoppen;

-                     Helpen met het bedenken van een eenvoudige oplossing (bijvoorbeeld met anderen spelen);

-                     Bespreken van de situatie met de leerkracht;

-                     Stimuleren van het beoefenen van een sport (bijvoorbeeld judo) of andere contacten opdoen;

-                     Benadrukken dat er een einde komt aan het pesten;

-                     Het probleem serieus nemen;

-                     Niet in paniek raken en niet fysiek straffen;

-                     Mogelijke oorzaak zoeken;

-                     Kind gevoelig maken voor wat het anderen aandoet;

-                     Extra aandacht geven aan het kind;

-                     Corrigeren van ongewenst gedrag en benoemen van gewenst gedrag (ook belonen);

-                     Duidelijk maken dat de school de juiste beslissingen neemt.

Ouders (algemeen):

-                     Serieus nemen van de ouders van een gepest kind;

-                     Stimuleren van het kind om op een goede manier met andere leerlingen om te gaan;

-                     Corrigeren van het kind bij ongewenst gedrag en benoemen van goed gedrag (ook belonen);

-                     Zelf het goede voorbeeld geven;

-                     Leren dat het kind voor zichzelf en voor anderen opkomt.

Betrekken van de zogenaamde “zwijgende meerderheid”

Uit onderzoek is gebleken dat de grote groep kinderen die niet direct bij het proces tussen pester en gepeste betrokken lijkt, toch veel kan doen om het pesten te laten stoppen. Uiteindelijk bepaalt de grote groep namelijk de groepsnorm. Indien pesten de kop op steekt wijzen onze leerkrachten de groep op hun verantwoordelijkheid in deze. Door de pesters niet populair te maken vanwege “stoer gedrag”, kan dit gedrag beter worden genegeerd, zodat er geen eer meer mee valt te behalen.


5. Wat doen wij op school om pesten te voorkomen?

Allereerst beschrijven wij de punten die wij vanuit de schoolvisie vanzelfsprekend doen, daarna noemen we mogelijkheden die aan de orde kunnen komen.

-                     De kinderen wordt vanaf de kleuterbouw geleerd, dat iedereen verschillend is. In gesprekken benadrukken we elkaars kwaliteiten. Tijdens het zelfstandig werken leren de kinderen dat niet iedereen hetzelfde werk doet. We benadrukken dat de één goed is hierin en de ander daarin;

-                     We besteden tijdens de kringgesprekken veel aandacht aan sociaal-emotionele vorming;

-                     We gebruiken in alle groepen structureel een methode voor catechese en een methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit is om ook preventief sociaal-emotionele problematieken te voorkomen;

-                     Bij onenigheden tussen leerlingen gaan we in gesprek met beide partijen. Kinderen leren op die manier hun gevoelens en gedachten onder woorden te brengen en respect te krijgen voor andermans mening;

-                     Aan het begin van elk schooljaar besteden we tijd aan de school- en groepsregels. Deze worden lopende het schooljaar warm gehouden door ze bijvoorbeeld op te hangen. Belangrijk vinden we het, dat de groepsregels samen met de kinderen opgesteld worden, zodat de regels leven bij de kinderen. Ze kunnen elkaar erop aanspreken;

-                     Leerkrachten zijn een luisterend oor voor ouders en kinderen die geconfronteerd worden met pesterijen. Zij proberen mee te denken en oplossingen aan te dragen;

-                     Tijdens schooltijd mogen kinderen zelfstandig niet op een andere manier op internet dan via kennisnet. Alleen onder direct toezicht van de leerkracht mogen zij naar andere relevante sites. Zij mogen bovendien niet chatten;

-                     We wijzen groepen op hun gezamenlijke verantwoordelijkheid om het leuk en gezellig te houden met elkaar,  om elkaar te stimuleren en te helpen en om respectvol met elkaar om te gaan.

 

Daarnaast zijn er nog de volgende mogelijkheden:

-                     Indien nodig kunnen we bij ons “Klassenwerk” aandacht besteden aan pestgedrag, bijvoorbeeld middels toneel;

-                     We publiceren indien dit frequent aan de orde is in de nieuwsbrief artikelen of berichten over (cyber)pesten;

-                     Extra gebruik te maken van lessen uit de methode sociaal-emotionele ontwikkeling of uit andere methoden/ folders of lessenseries;

-                     Stimuleren van het lezen van boeken over het thema pesten. Ook kan gedacht worden aan het voorlezen van een boek over dit thema;

-                     Gebruiken als thema bij een ouderavond;

 

Belangrijkste van alles is voor ons dat het onderwerp bespreekbaar moet blijven en dat kinderen en ouders altijd op school bij de leerkracht en/of directie terecht moeten kunnen. Dat wij als school de klachten altijd serieus nemen en er mee aan de slag gaan.

 

6. Cyberpesten

De pestsituaties zoals die tot op heden zijn genoemd, hebben vooral betrekking op de situatie in en om de school. Op deze plaats benoemen we tevens een “moderne”vorm van pesten, namelijk het digitaal pesten ofwel cyberpesten. Een onderzoek heeft uitgewezen dat vooral jongeren tussen de 10 en 14 jaar er soms een sport van maken hun slachtoffers via de virtuele snelweg te kwellen. En een recent krantenbericht maakt melding van een steekproef waaruit is gebleken dat een kwart van de ondervraagde jongeren tussen 8 en 15 jaar wel eens zelf iemand via MSN, e-mail, Hyves of SMS heeft uitgescholden.

 

Schoolafspraken in dit kader zijn:

 

-                     Tijdens schooltijd mogen kinderen niet zelfstandig op een andere manier op internet dan via kennisnet. Alleen onder direct toezicht van de leerkracht mogen zij naar andere relevante sites. Zij mogen bovendien niet chatten;

-                     Er zijn geen mobiele telefoons toegestaan van kinderen op school;

-                     We besteden in de bovenbouw aandacht aan internetgebruik en de gevaren ervan;

-                     We adviseren ouders om geen computers met internet op (slaap)kamers van de kinderen te plaatsen en om heel goed in de gaten te houden wat hun kinderen doen met internet en mobiele telefoon;

-                     We publiceren indien dit frequent aan de orde is in de nieuwsbrief artikelen of berichten over (cyber)pesten;

 

7. Welke bronnen zijn er geraadpleegd bij het opstellen van dit pestprotocol?

 

De volgende schriftelijke bronnen zijn geraadpleegd bij het opstellen van dit pestprotocol:

-                     Eduforce (2004): Pestprotocol, een voorbeeld;

-                     Stichting Stop het Pesten (2005/2006 en 2004/2005): Brochures “Stop en pesten”;

-                     Voorbeeld van een pestprotocol basisschool (auteur en jaartal onbekend);

Verder zijn eigen invullingen gezocht en eigen schoolafspraken ingebracht.

versie maart 2010